Om zeven uur ’s ochtends gaat de wekker en maar zelden ligt hij voor middernacht in bed. Behalve al zijn kerkelijke taken legt hij veel thuisbezoeken af. Vooral nu er door corona minder mensen naar de kerk komen.

Van de binnenlanden van Brazilië naar zijn huidige bestemming in vestingstadje Naarden was niet alleen fysiek, maar ook geestelijk een lange weg voor Carlos Fabril. Hij werd geboren in 1963 in het dorpje Florai, diep in de Zuid-Braziliaanse deelstaat Paraná, vernoemd naar de enorme rivier die over een lengte van 2.500 kilometer vanuit Brazilië langs Paraguay loopt, om tenslotte iets boven Buenos Aires uit te monden in de Rio de la Plata. Tot zijn veertiende groeide hij op in het dorp Douradina, waar ook de ouders van zijn vader woonden.

Rollende R

“Mijn grootouders hadden daar een stuk grond, waarvan ze leefden. Niet groot hoor, maar voor eigen consumptie”, vertelt Fabril. Hij zit aan de overkant van een tafeltje in het lichte gedeelte van de enorme koffiekamer van de pastorie van de St. Vituskerk in Naarden. Fabril spreekt goed verstaanbaar Nederlands, met een Amerikaans klinkende rollende R, die lustig door de koffiekamer rolt bij woorden als grrrootouders, grrrond en Brrr-azilië. Als hij even pauzeert, valt op hoe stil het is in de pastorie. De grote tafel met twaalf stoelen aan de andere kant van de kamer doet vermoeden dat dat weleens anders is geweest.

“Mijn vader is in Douradina een transportbedrijf begonnen, met vrachtwagens”, vervolgt Fabril. “Hij bracht hout naar andere regio’s en daarmee verdiende hij zijn brood. Gelukkig liep dat goed. Mijn ouders kregen uiteindelijk zes kinderen – zes jongens – dus dat was ook wel nodig. Ik kan me nog goed herinneren hoe mooi het daar was in dat kleine dorpje. In de weekenden kwamen we allemaal bij elkaar in de kerk. Opa’s en oma’s, familie, vrienden… Dat was voor mij altijd het belangrijkste moment van de week. Niet dat ik toen al wist dat dat mijn toekomst zou worden! Ik dacht altijd dat ik geroepen was om een gewoon leven te leiden, met een vrouw, een baan, kinderen. Na de middelbare school studeerde ik boekhouding en daarna economie. Ik raakte vaak verliefd op meisjes en heb ook verschillende serieuze relaties gehad, met het idee dat ik ooit zou gaan trouwen. Alleen gebeurde dat niet.”

Het liep anders. Zijn vader ontmoette een andere vrouw en in 1986 zijn zijn ouders gescheiden. “Mijn twee jongere broers zijn met mijn vader meegegaan en ik ben bij mijn moeder gebleven, samen met mijn twee broertjes. Mijn oudere broer was een paar jaar daarvoor verongelukt en sindsdien was ik de oudste. Ineens had ik een gezin waarvoor ik moest zorgen, met mijn moeder als de vrouw des huizes en mijn twee kleine broertjes als kinderen. Dat was niet zoals ik het me had voorgesteld. Mijn moeder moest leven van een klein pensioen van mijn vader, dus ik moest toen stoppen met mijn studie en geld verdienen. In die tijd had ik een vriendin, met wie ik drie jaar verkering heb gehad. Op een dag gingen we naar een jongerenbijeenkomst in bedevaartsoord Aparecida. Ik wilde eigenlijk alleen gaan, want ik had al een voorgevoel, maar zij ging toch mee. In de basiliek van Aparecida werd op bepaald moment gevraagd of de jongens die zich geroepen voelden om hun leven in dienst te stellen van de kerk wilden opstaan. Ik voelde me toen door God geroepen om op te staan, maar deed dat niet uit respect voor mijn meisje. Ik heb haar daarna wel verteld dat mijn roeping sterker was en dat ik niet met mijn voeten op twee bootjes kon varen. Dus ik heb toen een eind gemaakt aan onze relatie.”

Fabril zat toen in een moeilijke situatie, vertelt hij. “Ik was erg onzeker over wie me het meest nodig had: God of mijn moeder en broertjes. Gelukkig kreeg ik toen hulp van de neocatachumenale gemeenschap, waar ook andere jongens met roeping deel van uitmaakten. Daar werd openlijk over dit soort zaken gepraat. Op hun advies ben ik toen een tijdje bij een ander gezin gaan wonen om wat meer afstand te nemen van de thuissituatie. Zo heeft mijn roeping langzaam maar zeker kunnen rijpen. Maar ik zal toch nooit het moment vergeten dat ik afscheid moest nemen van mijn moeder en mijn broertjes; dat ik daar mijn koffer inpakte om bij ze weg te gaan. Dat is wel echt een moment in mijn leven geweest dat God me de kracht gaf om dat te doen, want zelf was me dat nooit gelukt.”

Boosheid

De gemeenschap hielp Fabril ook om de boosheid die hij voelde naar zijn vader te verwerken. “Ik was zo teleurgesteld over wat hij had gedaan, voelde me zo door hem in de steek gelaten, dat ik zes jaar lang niet in staat was om contact met hem te zoeken. De kerk vroeg mij om me met mijn vader te verzoenen, om die woede uit mijn hart te krijgen. Met Gods hulp heb ik dat toen kunnen doen. Een maand voordat ik uit Brazilië wegging. Dat was heel bevrijdend en daarmee was ik ook klaar om mijn leven in dienst te stellen van God en de kerk. Die hele geschiedenis met mijn ouders heeft me veel levenservaring gegeven, waardoor ik als priester mensen die moeilijke situaties doormaken beter kan helpen.” 

Meer dan twintig jaar later, toen de priester al in deze parochies werkte, stierf de tweede vrouw van zijn vader en zijn zijn jongere broertjes – en daarmee ook zijn vader – verhuisd naar de stad Umuarama, waar ook zijn moeder toen woonde. “Via de kleinkinderen kwamen mijn ouders weer met elkaar in contact en toen ik daar op vakantie was, hebben ze een goed gesprek gehad en zich na dertig jaar weer met elkaar verzoend. Drie dagen daarna, een week voordat ik weer zou teruggaan naar Nederland, hebben we op een zondag met de hele familie, met mijn vader én moeder, een grote barbecue georganiseerd. Een mooi diner, lekker eten, foto’s gemaakt…. Diezelfde nacht – de nacht van zondag op maandag – is mijn vader in zijn slaap overleden. Hij lag er vredig bij, alsof met die verzoening alle last van zijn schouders was gevallen.”

“Toeval bestaat niet”, concludeert Fabril. “Als ik terugblik naar alles wat er is gebeurd, denk ik wel dat alles een bedoeling heeft. Het kan geen toeval zijn dat ik als kind de kerk zo mooi vond. Als we ergens naartoe gingen met het gezin wilde ik daar altijd de kerk bezoeken. Het is geen toeval dat ik nooit ben getrouwd. En zo kan het ook geen toeval zijn dat mijn vader die nacht is overleden, juist na die verzoening en juist toen ik daar op vakantie was. Het was de hand van God die ervoor zorgde dat ik als zoon en priester zijn uitvaart heb mogen leiden.Vanuit zijn geloof denkt de priester dat het God is die het leven leidt. “Ik kan dan ook niet zeggen dat ik er zelf voor heb gekozen om priester te worden. Ik ben er zeker van overtuigd – ook omdat ik ook andere plannen met mijn leven had – dat God mij geroepen heeft. Priester zijn is geen beroep, zoals mensen soms zeggen, maar een roeping. Vandaar dat ik ook geen plek wilde kiezen waar ik naartoe zou gaan, want als God mij roept, zal Hij me ook wel wijzen waar ik naartoe moet. En dat gebeurde ook. Vanuit Brazilië gingen we met een hele groep jongens van de gemeenschap naar Italië en daar werd door middel van loting, dus gewoon met namen en landen, bepaald waar we naartoe werden gezonden.”

Loting

Fabril kwam via deze loting in 1992 naar Nederland. Hij volgde zijn opleiding op het seminarie van Vogelenzang in het Bisdom van Haarlem en werd in 2000 tot priester gewijd. Daarna werd hij benoemd als kapelaan in de regio Hoorn en in 2008 tot pastoor voor de parochies van Naarden, Huizen en Blaricum. In 2014 kwam ook Bussum daarbij en in 2020 benoemde monseigneur Jozef Punt hem ook nog tot deken voor Gooimeer, waaronder – naast zijn eigen parochies – ook Laren, Almere en Zeewolde vallen. De pastorie van het St. Vitus in Naarden deelt Fabril met zijn Italiaanse voorganger pastoor Michi Costa en in zijn ambt wordt hij bijgestaan door kapelaan Mikel Palic uit Kroatië, zijn Italiaanse evenknie Andrea Gerea en zonodig de gepensioneerde pater Wijnand van Wegen en diaken Tom Hekkenberg.

Vorige eeuw was Nederland nog een grote leverancier van missionarissen, maar tegenwoordig komen de priesters vanuit de hele wereld om de katholieke kerk in Nederland te ondersteunen. Een kwart van de priesters is inmiddels afkomstig uit het buitenland, volgens een recent onderzoek van dagblad Trouw. En dat percentage zou alleen nog maar toenemen. Fabril vindt dat een pijnlijke ontwikkeling. Zijn eigen land Brazilië herbergt het grootste aantal katholieken ter wereld, terwijl in Nederland de kerk langzaam maar zeker leegloopt. Het raakte hem dan ook diep toen hij zag dat er hier zoveel kerken leegstaan of zijn omgebouwd tot winkel of appartementencomplex. Hoewel Fabril nog wel kinderen doopt en de eerste communie doet, bestaan de parochies inmiddels voor het merendeel uit senioren. “Men zegt wel dat er minder mensen naar de kerk komen door de welvaart. Mensen zien de kerk als iets waar je alleen naartoe gaat als je in nood bent, als je ziek bent of als je geen werk hebt. Maar dat vind ik jammer. De kerk is niet een plaats waar je alleen naartoe gaat om iets te vragen, maar vooral ook een plek is waar je naartoe gaat om God voor alles te danken wat je wel hebt en wat Hij je geeft. Voor een moment van bezinning. Van rust. Maar mensen zien er het belang niet van in om naar de kerk te gaan. Ze hebben het ook veel te druk tegenwoordig. Zelfs kinderen hebben een drukke agenda. Als we de eerste communie voorbereiden, merken we altijd hoe moeilijk het voor kinderen is om daar een uurtje vrij voor te maken. Natuurlijk, alles is belangrijk. Studeren, computeren, dansen, paardrijden, zwemmen, maar het is ook een kwestie van prioriteit. Het is heel belangrijk om bij de dingen stil te staan. Om even op te laden. Ik vergelijk het weleens met een auto. Zonder benzine kun je niet rijden en in die zin zie ik de kerk wel als een soort benzinepomp.”

Corona maakt het er allemaal niet makkelijker op. “Mensen mogen wel naar de kerk komen, maar veel parochianen – en zeker als ze wat ouder zijn – durven dat helemaal niet. Nu met kerstmis bijvoorbeeld!” zegt Fabril, terwijl hij zijn armen in de lucht spreidt. “Ik heb zo’n heimwee naar die echt vólle kerken! Op de 24ste hielden we hier altijd drie missen voor 350 personen en in de Mariakerk in Bussum dan ook nog eens twee kerstmissen voor ruim 600 mensen elk!” Wat dat betreft is het voor de kerk niet veel anders dan voor de horeca. De kerstdagen zijn het hoogtepunt van het jaar en als er dan veel minder mensen komen, is dat ook financieel een probleem. Minder kerkgangers betekent minder collectes, zodat de parochianen zometeen bij de jaarlijkse kerkactie Balans opnieuw moeten worden gevraagd om bij te springen. Evenals de horeca zit Fabril ondertussen niet met zijn armen over elkaar te wachten tot het voorbij is, maar maakt hij van de gelegenheid gebruik om meer thuisbezoeken af te leggen. “Als de mensen niet naar de kerk komen, komt de kerk naar de mensen”, zegt hij. “Ik heb dat altijd graag gedaan. Meestal ga ik dan naar zieken, ouderen of mensen die dat nodig hebben. Mensen zijn soms zo eenzaam en hebben zo veel te vertellen. Dat bezoek wordt altijd enorm op prijs gesteld en dat geeft mij ook heel veel voldoening.”

Kapelaan Erik Odekerke 

Fabril is onder de parochianen dan ook bijzonder populair. Met zijn priesterboord en kale hoofd voldoet hij uiterlijk wel aan het stereotype, maar een ouderwetse dorpspastoor is hij duidelijk niet, zoals wel gevreesd wordt van priesters uit landen met een sterkere katholieke traditie. Voor zichzelf en zijn huisgenoot kookt hij elke dag. Als hij tijd heeft rent hij een rondje om de vesting, waarbij hij onderweg graag een praatje maakt zodat hij op de hoogte blijft van wat er in de omgeving gebeurt. Nederland bevalt hem best en het klimaat bevalt hem zelfs beter dan de subtropische hitte van Zuid-Brazilië. Een auto heeft hij wel, maar het liefst doet hij alles op de fiets. Als het even kan fietst hij in het weekend zelfs helemaal naar zijn oude standplaats in Hoorn. Op de vraag of hij net als kapelaan Erik Odekerke van de tv-serie Dagboek van een Herdershond fietsend door het land zieltjes probeert te winnen, glimlacht Fabril. Dagboek van een Herdershond blijkt hij zowaar te kennen. “Natuurlijk probeer ik dat”, geeft hij lachend toe. “Maar ik tel ze niet. We doen gewoon ons werk en leven in het hier en nu, in de hoop dat God ons, in al zijn wijsheid, zal bijstaan om zíjn kerk weer tot bloei te brengen.”